페이지 이미지
PDF
ePub

ontvingen, omdat zij onverwacht van have en bestaan werden beroofd, is niet bekend, maar zeker zou de billijkheid het eischen. Naar het schijnt, was bij deze gelegenheid de wijze van inbeslagneming ruw en beleedigend voor de Engelsche vlag, waarom de Engelsche regeering opheldering vroeg. Als antwoord telegrafeerde Graaf von Bismarck onder anderen het volgende aan den Pruisischen gezant te Londen: „Deel aan „Lord Granville mede, dat wij oprecht betreuren dat onze troepen, „tot afwending van een oogenblikkelijk gevaar, genoodzaakt zijn „geweest Britsche vaartuigen in beslag te nemen en dat wij „vorderingen tot schadevergoeding zullen aannemen. Wij zullen „de waarde der schepen betalen zonder af te wachten dat beslist , zij door wien de schadevergoeding verleend moet worden. Zijn ,de verontschuldigingen niet volkomen gegrond, dan zullen de „schuldigen worden gestraft.” Deze laatste zin doelt natuurlijk op de mogelijkheid, dat uit het onderzoek zou blijken, dat de Duitsche bevelhebber de schepen in beslag had genomen buiten volstrekte noodzakelijkheid.

Bij den zeeoorlog heeft het beginsel om het eigendom van particulieren te ontzien, nog geen ingang gevonden. Langen tijd hebben de oorlogvoerenden zich het recht aangematigd de goederen van vijandelijke onderdanen buit te maken of te vernielen, waar zij deze ook aantroffen. Niet alleen de oorlogsschepen werden hiermede belast, maar ook aan particulieren werden met hetzelde doel kaperbrieven uitgereikt. Vooral deze laatsten, wien het natuurlijk meer om eigen voordeel te doen was dan om het benadeelen van den vijand, maakten zich aan allerlei willekeur schuldig. Hierdoor en door de groote uitbreiding, die door sommigen aan het begrip „oorlogscontrabande” werd gegeven, leden de onzijdigen veel overlast. Dit heeft aanleiding gegeven, dat eenige keeren verschillende onzijdige mogendheden een verdrag van gewapende neutraliteit sloten, waarbij zij zich verbonden zich met geweld te verzetten tegen de willekeurige handelingen der oorlogvoerende partijen.

Meermalen verhieven zich stemmen om particulier eigendom ter zee vrij te laten, evenals dit te land geschiedt, maar tot dusverre zonder gunstig gevolg. Sommige landen, vooral Engeland, wilden het voordeel niet prijsgeven, dat in dit opzicht het bezit van een machtige vloot medebrengt. Ook in Frankrijk

bestaat tegenwoordig nog een invloedrijke partij, de „Jeune Ecole Française”, die in het vernielen of buit maken van particulier, vijandelijk eigendom een zeer gewenscht en gewettigd middel ziet om de tegenpartij tot toegeven te dwingen. Ofschoon de ondervinding heeft geleerd, dat het schenden van particulier eigendom wel verbittering kweekt, maar niet bijdraagt om het einde van den oorlog te bespoedigen, is het toch te vreezen, dat in dit opzicht de meer humane begrippen, niet spoedig ingang zullen vinden.

Bij het begin van den Fransch-Duitschen oorlog in 1870 heeft Pruissen verklaard, dat het bereid was het particuliere eigendom ook op zee te eerbiedigen, indien Frankrijk dit voorbeeld wilde volgen, en gaf het de hiertoe noodige bevelen aan zijn oorlogsschepen. Daar echter Frankrijk niet op dit voorstel inging, was ook Pruissen wel genoodzaakt zijn goede voornemen te laten varen.

Minder tegenspraak vond het denkbeeld, dat neutralen, die hunne onzijdigheid niet schenden, zoo weinig mogelijk van den oorlogstoestand te lijden moeten hebben. Hun recht wordt erkend om met elk der oorlogvoerende partijen vrijelijk te blijven handeldrijven, mits zij geen blokkade schenden en geen contrabande voor een der partijen aanvoeren. Dit denkbeeld werd door de meeste beschaafde natiën aanvaard bij de „Parijsche verklaring” van 1856. Onder de rijken, die niet toetraden, waren Spanje en de Vereenigde Staten · van Noord-Amerika de voornaamste. De Vereenigde Staten weigerden, omdat de verklaring naar hunne zienswijze niet ver genoeg ging; zij hadden namelijk geheele onschendbaarheid van particulier eigendom opgenomen willen zien.

De punten, die bij de verklaring van 1856 over dit onderwerp werden aangenomen, zijn de volgende: 1o. de kaapvaart is en blijft afgeschaft; 2o. de onzijdige vlag dekt de vijandelijke lading, met uitzondering

van contrabande; 3o. de onzijdige lading, met uitzondering van oorlogscontrabande,

is onder vijandelijke vlag niet te nemen. Bij het begin van den tegenwoordigen oorlog tusschen Spanje en de Vereenigde Staten, juist de beide landen, die de verklaring

van wavel, de deze rubrieke his voor oorled, bus

niet aanvaard hebben, hebben de beide partijen bekend gemaakt, dat ze de punten sub. 2o. en 3o. zouden eerbiedigen, maar betreffende dat sub. 1°, behielden ze zich hunne rechten voor.

Voor onzijdige schepen is het dus in de eerste plaats noodig, te weten welke zaken contrabande zijn. Algemeen als zoodanig erkend worden wapenen, schietvoorraad, buskruit, ontplofbare stoffen, enz., die rechtstreeks voor oorlogsdoeleinden worden gebruikt; onder deze rubriek worden veelal ook gerekend salpeter en zwavel, de onmisbare bestanddeelen voor de vervaardiging van buskruit. Van een andere rubriek, bijv. artikelen van weelde, is het voor een ieder duidelijk, dat ze niet voor oorlogsdoeleinden dient en dus geen contrabande is. Omtrent de meeste artikelen echter is twijfel mogelijk. Levensmiddelen, kleedingstukken en de stoffen, waaruit deze worden vervaardigd, zijn onmisbaar, zoowel voor de vreedzame ingezetenen als voor de krijgsmacht; onder de tallooze doeleinden, waarvoor stalen platen, klinknagels, machines en machinedeelen gebruikt worden, behooren ook het uitrusten en herstellen van oorlogsschepen, het vervaardigen van affuiten, enz.; steenkolen kunnen evenmin gemist worden door de gasfabriek, die een onverdedigde plaats, ver van het eigenlijke oorlogsterrein, verlicht, als door oorlogsschepen, die ten strijde gaan. Voor deze en dergelijke artikelen hangt het dus van de omstandigheden af, of ze als contrabande moeten worden beschouwd. Dit kan echter niet aan de beoordeeling van elk onzijdig schip worden overgelaten en het is daarom gebruikelijk, dat, bij het begin van een oorlog, de oorlogvoerende partijen bekend maken, welke artikelen door haar als contrabande worden beschouwd. Zulk eene opsomming van Spaansche zijde vinden de lezers in onze vorige aflevering. Brieven of dépêches ten dienste van den vijand worden door de meeste regeeringen en bekende schrijvers als oorlogscontrabande beschouwd. Hieronder worden verstaan brieven, schriftelijke berichten of bevelen van de eene vijandelijke autoriteit aan de andere en niet brieven van of aan particulieren. Mailstoomers, die als naar gewoonte de post overbrengen, kunnen niet verantwoordelijk gesteld worden voor den inhoud der mail-paketten.

Al de hier genoemde goederen kunnen slechts als contrabande worden beschouwd, wanneer zij op reis zijn naar een vijandelijke haven. Zij zijn vrij, wanneer ze slechts in zulk een kleine hoeveelheid aan boord zijn, dat ze geacht kunnen worden slechts te strekken tot eigen lijfsweer van het scheepsvolk of de gewone uitrusting van het schip.

De aangehouden contrabande kan worden prijs verklaard. Het schip, dat de contrabande vervoert, kan worden prijs verklaard; 1o. indien bewezen kan worden dat de eigenaar van het schip wist, dat de vervoerde goederen contrabande zijn, vooral wanneer hij tevens eigenaar van deze goederen is ; 2°. wanneer het transport der contrabande plaats heeft onder bedriegelijke omstandigheden van valsche of dubbele papieren en een valsche bestemming. Veelal wordt aangenomen, dat een schip ook prijs verklaard kan worden wegens het vervoer van oorlogslieden en dépêches naar den vijand.

Volgens sommigen kan de geheele lading met het schip prijsgemaakt worden, wanneer deze voor 3/4 uit contrabande bestaat, doch meer algemeen neemt men aan, dat de lading, voor zoover deze niet uit contrabande bestaat, vrij behoort te blijven.

Door de meeste schrijvers wordt aan oorlogvoerende partijen het recht van benadering of voorkeur toegekend op goederen, bestemd naar vijandelijke plaatsen, die niet ontwijfelbaar als contrabande kunnen worden beschouwd, maar toch bevorderlijk kunnen zijn aan het oorlogsdoel van den vijand. Deze goederen worden dan overgenomen tegen de marktwaarde (niet de misschien ongewoon hooge prijs in het vijandelijke land) met een redelijke winst, waarvoor gewoonlijk 10 pct. wordt gerekend en betaling van de volle vracht. ·

Om na te gaan of de bovenstaande regelen worden nageleefd, hebben de oorlogsschepen en wettelijk erkende kapers van de oorlog voerende partijen het recht alle koopvaardijschepen, die zij ontmoeten buiten de neutrale wateren, aan te houden, te onderzoeken en zoo noodig te doorzoeken (droit d'arrêt, de visite et de recherche), waarbij, als de omstandigheden er toe leiden, nog komt het recht van opbrengst (droit de saisie).

Het oorlogsschip geeft door zijn manoeuvres zooveel doenlijk te kennen, dat het een onderzoek wenscht in te stellen en doet, zonder dichter bij te komen dan de omstandigheden noodig maken, een los schot of een scherp schot op voldoenden afstand om het schip zeker niet te treffen en hijscht zijn vlag, indien

dit nog niet gedaan was. Dit schot staat gelijk met een bevel aan het koopvaardijschip om zijn vlag te toonen en te stoppen of bij te draaien en is tevens eene plechtige verklaring, dat de geheschen vlag werkelijk de eigen vlag is. (Het tijdelijk varen onder vreemde vlag wordt, zoolang als niet van de wapens wordt gebruik gemaakt, voor oorlogsschepen als een geoorloofde krijgslist beschouwd). Volgens sommige schrijvers is het niet volstrekt noodig een schot te doen, maar kan het bevel tot stoppen ook door een sein uit het Internationale sein boek gegeven worden. Het koopvaardijschip is verplicht aan dit bevel te gehoorzamen. Geschiedt dit niet, dan kan een tweede waarschuwingsschot gedaan worden, doch hiertoe is men niet verplicht, verder kan het oorlogsschip geweld gebruiken om het tot stoppen te dwingen en voor de gevolgen van dit geweld is het koopvaardijschip zelf geheel verantwoordelijk. Bovendien is de poging om zich door de vlucht aan de visitatie te ontrekken op zich zelf een voldoende reden om het opbrengen van het schip te rechtvaardigen.

Het visiteerende schip heeft niet het recht te verlangen, dat de gezagvoerder of een ander met de papieren bij hem aan boord komt; het zendt een boot, zoo mogelijk met een officier, naar het aangehouden schip en deze begeeft zich met hoogstens twee of drie man daar aan boord. In de eerste plaats onderzoekt hij de scheepspapieren. Het hangt van de bijzondere wetgeving van elk land af, welke papieren een schip aan boord behoort te hebben; voor Nederlandsche schepen zijn het de volgende: zeebrief, meetbrief, bijlbrief, scheepsjournaal, monsterrol, gezondheidspas, charterparty of cognossementen, manifest van lading en uitklaring. Zijn de papieren in orde, dan zal in den regel hiermede genoegen worden genomen en het schip zijn reis kunnen vervolgen. Alleen bij ernstige reden van achterdocht zal de visiteerende officier er toe overgaan, het schip te doorzoeken, waarbij als regel is aangenomen dat kasten, lessenaars, kisten, enz. niet door hem of zijn manschappen worden geopend, maar dat hij aan den gezag voerder gelast, dit te doen of te laten doen.

Zoowel de visiteerende officier als de personen van het gevisiteerde schip moeten bedenken, dat zij neutraal, dus vriendschappelijk, tegenover elkander staan, zij mogen geen onnoodigen

« 이전계속 »