페이지 이미지
PDF
ePub

in verhouding van de hoeveelheid lucht (het hevigst bij 8 vol. lucht en i vol. mijngas), zoodat ook in dit opzicht het brengen van een luchtstroom door de lading gevaarlijk is. De gelegenheid tot geleidelijke ontsnapping, naarmate het gas vrijkomt, moet echter bestaan, en daartoe zijn voldoende: doelmatig geplaatste openingen in het dek, met daarop aangebrachte, korte kokers (met beweegbare kappen om tegen indringend water te beveiligen), welke altijd geopend zijn en een voortdurenden luchtstroom over de kolen veroorzaken. Wanneer de kolen versch uit de mijn komen, verdient het zeker ook aanbeveling om, gedurende de eerste dagen na het laden, de luiken zooveel mogelijk geopend te houden, omdat juist, door het breken der kolen onder het laden, dit gas, dat in de stukken is opgesloten, vrijkomt.

Als dus de gegevens voor zelfontbranding aanwezig zijn in den vorm van natte of droge pyriteuse of fijne kolen, of dat men ontploffing te vreezen heeft, doordien de mijn, waaruit men laadt, mijngas bevat, wordt in beide gevallen het gevaar vergroot door het brengen van eenen luchtstroom door de lading, waartoe meestentijds het hout, waaruit de luchtkokers vervaardigd zijn, het zijne toebrengt, daar dit bij lagere temperatuur ontvlamt dan kool.

Kan men dus tegen ontploffing vrij wel waken door het gas gelegenheid te geven zich geleidelijk te verwijderen, — wat te doen tegen zelfontbranding als ventilatie veroordeeld is.?

Io. Neme men nimmer voor lange trajecten kolen uit mijnen, die bekend zijn als in groote mate pyriet te houden. . · 2'. Neme men nimmer natte of fijne kolen aan boord.

3o. Lade men op zoodanige wijze, dat de kolen niet te veel gebroken of gruis worden.

4°: Voorzie men het ruim van temperatuurkokers; dagelijks neme men op verschillende plaatsen der lading de temperatuur waar, .door in die kokers een thermometer te laten zakken, en houde men daarvan aanteekening. Rijst de thermometer sneller, dan het gevolg kan zijn van de verplaatsing van het schip, dan verwerke men dat deel der lading tot het brandpunt gevonden is.

De sterkst verhitte kolen zette men overboord, en deze opoffering van weinige tonnen zal meestal voldoende zijn.om het gevaar af: te wenden... ;:,:........: :

. 5o. Brenge men nimmer versche lucht in of door de lading. Hierbij voege men de voorzorgen reeds hooger genoemd, om het gevaar van ontploffing te ontgaan, namelijk : :

6o. 200 mogelijk de luiken een paar dagen na het laden openhouden, en

7o. luchtkokers plaatsen op dek boven de lading, die immer geopend blijven en, door het veroorzaken eener luchtstroom over de lading, het mijngas beletten zich tegen dek op te hoopen.

Men mag alsdan op goede gronden vertrouwen, dat de nu 200 veelvuldige verliezen, tengevolge van kolentransporten over lange trajecten, weldra tot de zeldzaamheden zullen behooren.

Betrekkelijk het sub 1° genoemde zij opgemerkt, dat enkele mijnen zooveel pyriet en ook mijngas bevatten, dat de daaruit gedolven kolen, voor lange reizen, bepaald ongeschikt zijn.

Hoewel hiervan geene lijst kan worden opgemaakt, daar dikwijls de opbrengst verandert naarmate men dieper in de mijn doordringt, en dus de gezagvoerders niet weten welke kolen gevaarlijk zijn, voor zoover zulks niet op het oog te zien is, blijkt uit de verschillende inlichtingen door de commissie verkregen, dat deze mijnen in de verschillende districten wel degelijk bekend zijn, zoodat ter plaatse informatiën kunnen worden ingewonnen.

Speciale wetsbepalingen omtrent kolenvervoer zullen waarschijnlijk niet worden uitgevaardigd; doch het toezicht der mijninspecteurs zal worden verscherpt. Bij voorkomende gevallen zal een regeeringsonderzoek worden ingesteld, terwijl van assuradeuren mag worden verwacht, dat zij van hunne zijde maatregelen zullen nemen om op de hoogte te blijven der gevaarlijke mijnen, en dat zij, door het opnemen van bepalingen in de polissen, een gewenschten dwang zullen uitoefenen op de wijze van laden; stappen die wellicht meer invloed zullen uitoefenen dan de strengste wetten zouden kunnen doen.

[ocr errors][merged small]

Nieuwe methoden voor Breedtebepaling

op Zee.

I. Door de waarneming van twee sterren, waarvan de rechte i opklimmingen nagenoeg aan elkander gelijk zijn.

Door protoninklijk Italiaan eene nie

Door professor Antonino Bono, leeraar in de Zeevaartkunde aan het Koninklijk Italiaansch Instituut te Recco, is in een onlangs uitgegeven werkje in eene nieuwe methode van breedtebepaling behandeld, waarbij gebruik gemaakt wordt van de hoogten van twee sterren, waarvan de rechte opklimmingen nagenoeg aan elkander gelijk zijn. In hoofdzaak komt deze methode neer op het navolgende:

Wanneer twee hemellichten zich in denzelfden declinatiecirkel bevinden kan uit de formulen:

Sin. h = Sin. b Sin. d + Cos. b Cos. d Cos. P en

Sin, h' = Sin. b Sin. ď' + Cos. b Cos. d' Cos. P Cos. P geëlimineerd worden, waardoor men voor de oplossing van het vraagstuk verkrijgt: h Sin. h' Cos. d – Sin h Cos. d'... (1)

Sin. (d—d)
welke vergelijking onder den vorm:
$ Sin. b =

Sin. h Cos. (d + p) en
Cos. Sin. (d' -- d)

Sin. h Cos. ď
Tang. $ =

Sin. h Cos. d
meer geschikt is voor de berekening met logarithmen.

Ten einde twee dergelijke hoogten te verkrijgen, meet men kort achter elkander de hoogten der beide hemellichten en

I) Nuovo methodo per determinare la latitudine mercè le altezze di due stelle prossime ad un medesimo semi-circolo di declinazione per Antonino Bono, Professore di Nazigazione nel R. Instituto Nautico di Recco.

Genna, 1876.

herleidt deze tot denzelfden declinatiecirkel, door na de tweede waarneming weder de hoogte van het eerst waargenomen hemellicht te meten, en vervolgens de hoogteveranderingen evenredig te stellen met de daarmede overeenkomstige veranderingen in uurhoek. Stellende bijvoorbeeld het tijdsverloop tusschen de eerste en derde waarneming = a, de daarin plaats gehad hebbende hoogteverandering = h .- h, het tijdsverloop tusschen de eerste en tweede waarneming = b, het verschil in rechte opklimming der beide hemellichten

= v en de correctie, welke op de eerste hoogte moet worden toegepast = x, dan is, wanneer het eerste hemellicht bewesten het tweede staat:

x= b (b – v) en indien het eerste hemellicht beoosten het tweede staat:

x = "", " (b. + v)

а Het teekenen eener figuur zal genoegzaam doen zien, dat juist het verschil in rechte opklimming op het kleinste tijdsverloop moet worden toegepast, om de verandering in uurhoek te verkrijgen van af het oogenblik der eerste waarneming tot op het oogenblik dat het eerste hemellicht zich in den declinatiecirkel bevindt, waarin het tweede hemellicht is waargenomen. Is dus het tijdsverloop tusschen de eerste en tweede waarneming juist gelijk aan het verschil in rechte opklimming, dan heeft men, in het geval van b--v, beide hemellichten in denzelfden declinatiecirkel waargenomen, zoodat alsdan de correctie x = 0 wordt.

Voor de nauwkeurigheid der hoogte-herleiding is het wenschelijk, dat de hoogten dicht bij den eersten verticaal worden waargenomen, terwijl met het oog op den noemer van formule (1) het verschil in declinatie niet te gering mag zijn. Het resultaat is evenwel geheel onafhankelijk van den tijd, en de toepassing der methode wordt vooral aanbevolen op lage breedten ter vervanging van Poolsters breedten.

De navolgende in den nautical almanac voorkomende sterrenparen worden opgegeven als voor deze methode geschikt te zijn:

reedten.

[ocr errors][ocr errors][ocr errors][subsumed]

II. Door herleiding van hoogten tot meridiaans hoogten. 1)

(van navigationslehrer! Preuss te Elsfleth.)

Op hooge breedte is in de wintermaanden een bewolkte hemel dikwijls oorzaak, dat de gelegenheid wordt gemist om door een meridiaanshoogte van de zon de breedte op zee te bepalen. .: Is alsdan echter in het tijdsverloop van een uur vóór, tot een uur ná den middag de zon van tijd tot tijd zichtbaar geweest, zoodat men in dat tijdsverloop twee zonshoogten heeft kunnen meten, dan kan daarmede op gemakkelijke en beknopte wijze, zonder zelfs van logarithmen gebruik te maken, de meridiaanshoogte van de zon berekend worden. De berekening berust daarop, dat in de nabijheid van den meridiaan de vierkanten der uurhoeken zich verhouden als de daarin plaats gehad hebbende hoogteveranderingen, en heeft het voordeel, dat ze zonder eene gegiste breedte aan te nemen kan geschieden. Bovendien is de nauwkeurigheid van het resultaat voor de praktijk zeer voldoende. .. De uurhoeken t en t + A t, de daarmede overeenstemmende hoogteveranderingen x en x + oh, en de grootste gemeten zonshoogte h noemende, is dan:

x : * + 0 h = t? : (t + A t) 2

Ah, t2 of x =

Δ h : (2 t + ot) A(2+At en dus voor de meridiaanshoogte H:

1) Annalen der Hydrographie Hest IX Berlin 1877.

« 이전계속 »