페이지 이미지
PDF
ePub

in den steek laten, voldoende is den gezagvoerder geheel op de hoogte te brengen. Evenzoo is onder 70 en 8° „Kennis der wettelijke bepalingen, en van bevrachtingen, assurantiën”, enz. wat veel gevergd.

Die wettelijke bepalingen kunnen zich in ieder geval niet verder uitstrekken dan die in het Wetboek van Koophandel „over den Schipper en over het huren van Scheepsofficieren en gezellen" handelen, en daarvoor is de studie der Monsterrol al vrij voldoende. En wat nu de kennis der bevrachtingen aangaat, hiermede zal wel bedoeld zijn, dat de gezagvoerder kunne berekenen hoeveel zijn schip van eene zekere soort goederen kan laden, om eene voordeelige vracht te bevaren, en dat hij genoegzaam met de winden, stroomen enz. bekend zij, om te kunnen gissen of hij eene lange of vlugge reis naar of van de plaats zijner bestemming zal maken.

Assurantiekennis is voor den gezagvoerder niet alleen onnoodig, doch de meeste reeders laten hem zelfs onkundig, of en voor welk bedrag hunne schepen zijn verzekerd. Zij doen zulks met het oog op de mogelijkheid van kwade praktijken, en om allen schijn daarvan bij eventueele latere averij te vermijden. Een gezagvoerder heeft met de al- of niet verzekering van zijn schip niets te maken. Zijn plicht is hetzelve op de beste, veiligste en vlugste wijze van de eene haven naar de andere te brengen, en bekomt hij op de reis averij of schade, dan is het eene quaestie geheel buiten hem om, wie de reparatie-kosten geheel of gedeeltelijk betaalt, hetzij de assuradeuren of zijne reederij, en hoe de onkosten worden · verdeeld, hetgeen het werk van den dispacheur is.

De kennis der Fransche, Engelsche en Hoogduitsche talen is, met het oog op de gewone opleiding der gezagvoerders, ook te veel gevergd. Wanneer een gezagvoerder Engelsch spreekt en een Engelschen brief kan lezen en verstaan, en zoo noodig zelf een Engelschen brief kan schrijven zonder al te grove fouten, dan kon dunkt mij de kennis der zeer moeielijke Fransche en Hoogduitsche talen, die men als kind dient te hebben geleerd, wel achterwege blijven.

Want noch in Engeland, Frankrijk of Duitschland wordt bij de examens der gezagvoerders de kennis van drie vreemde talen en der Stoomwerktuigkunde gevorderd.

Hoe wenschelijk het ook ware dat de Nederlandsche gezagvoerders wat meer degelijke kennis bezaten, moet men hun evenwel geene overdreven eischen stellen, althans nog niet. Mocht later eene betere opleiding voor de jonge zeelieden aan boord tot stand komen, waardoor men jongens bekwam die werkelijk op de school iets geleerd hadden, dan kon men zwaardere eischen stellen, doch thans is de tijd daarvoor nog niet geschikt.

Wat de Heer L. verder zegt over de diploma's door vroegere commissien aan aspirant-stuurlieden uitgereikt, vindt men in mijne brochure: „Neerland's koopvaardijvaart en groot handel" geheel uitgewerkt terug. – Overigens ben ik het met den Heer L. geheel eens, dat de examens voor de gezagvoerders en stuurlieden verplichtend voor de wet behoorden te worden gesteld, en hunne diploma's, evenals in Engeland, bij het uitklaren van het schip aan het customhouse overgelegd, dat, wanneer er slechts het minste aan hapert, het schip niet uitklaart en het aldus feitelijk belet te vertrekken. Kon onze regeering ook besluiten eveneens eene corporatie, zooals de Board of trade, in het leven te roepen, en daaraan denzelfden werkkring, macht en bevoegdheid toe te kennen, dan, doch ook niet eerder, zou men een grooten stap in de goede richting zijn vooruitgegaan.

Deze maatregel en de invoering van het apprentice stelsel voor de behoorlijke opleiding van ontwikkelde jongens aan boord, waardoor het gehalte van het personeel der toekomst onzer koopvaardijvloot noodwendig moet verbeteren, zijn de eenige aangewezen wegen tot verbetering, en alle te hoog gestelde eischen, die thans mochten worden gesteld, kan men gerust ontijdig, ondoeltreffend en onbereikbaar noemen. Wie daaraan nog twijfelen mocht, lette slechts op de ellendige resultaten, door de afgenomen examens der Rijks-commissie in het vorige jaar opgeleverd.

J. MULLER.

Nog iets over het schilderen van

ijzeren schepen.

In het eerste nummer van dit tijdschrift werden door den Heer J. V, Wierdsma de uitkomsten medegedeeld van een vergelijkende proef, door hem met verschillende smeersels genomen op den bodem van een platboom sloep, die, nà geschilderd te zijn, 32 maand aan de inwerking van het water in het Oosterdok te Amsterdam was onderworpen geweest.

De uitslag dier proefneming is ontegenzeggelijk geweest in het voordeel van de Rahtjen's-compositie.

't Komt ons echter eenigszins gewaagd voor hieruit de conclusie te trekken, dat de Rahtjen's verf, meer dan eenig ander bij de proef aangewend smeersel, de voorkeur verdient tot het schilderen van de buitenhuid van ijzeren schepen, die in de vaart zijn. ;

Het is toch bekend, dat het meerendeel der zoogenaamde ijzerverven eene metaalverbinding bevatten, en zeer goed denkbaar is het dus, dat twee dier verwen langs galvanischen weg op elkaar inwerken, wanneer ze op korten afstand van elkander op den bedem van een schip aangebracht zijn.

Voor zoodanige werking moet, ons erachtens, vooral het water in bovengenoemd dok, zoo rijk aan faecale stoffen, en bij hooge temperatuur (de proef geschiedde gedurende, de zomermaanden) bijzonder geschikt worden geacht.)..

En nu is het zeer wel mogelijk, dat eene verfsoort als boven wordt bedoeld, goede resultaten oplevert wanneer daạrmede de geheele scheepsbodem wordt beschilderd, en minder goede resultaten, wanneer naast die verf een andere metaalverf wordt aangebracht.

1) Waarschijnlijk zijn hier of daar wel gegevens verkrijgbaar, waaruit blijkt, dat werkelijk het huidkoper van houten schepen, liggende in het Oosterdok te Amsterdam, meer dan gewoonlijk aan verteren onderhevig is.

Het systeem, om ijzeren schepen door een zinkbekleeding te vrijwaren tegen aangroeiing, berust toch ook op de wederzijdsche inwerking van twee metalen. Immers, men dubbelt de ijzeren huid met hout, en bevestigt daarop de zinkbladen zoodanig, dat er electrisch contact bestaan blijft tusschen het zink en het ijzer.

Door de gevolgelijk ontstaande galvanische werking wordt het zink aan het oppervlak sterk geoxydeerd, daardoor bros en zal bij beweging van het schip door het water afschilferen, en met de daaraan voorkomende sporen van aangroeiing afvallen.

De zinkbekleeding (stel dat ze zuiver is) wordt dus als het ware voortdurend bij dunne lagen opgeruimd; er is geen tijd voor aangroeiing op groote schaal, en het schip blijft gevolgelijk schoon.

Zóó tenminste komt ons voor, dat de werking der zinkbe kleeding moet worden verklaard.

Doch hoe dit zij, schrijver dezes was in de gelegenheid schoone resultaten te zien van zinkbekleeding, toegepast op ijzeren bodems, laatstelijk op een der kruisers 4de klasse der Indische Militaire Marine, welke de reis van Nederland naar Indië had gemaakt.

Desniettemin geven wij voor bodems, die regelmatig in een droogdok kunnen opgenomen worden, de voorkeur aan een goede ijzerverf, en wel om verschillende redenen, waarvan de opsomming hier minder noodzakelijk schijnt.

Niet onopgemerkt willen we echter laten, dat bij alle zink. bekleeding, die we tot nog toe aanschouwden, de oxydatie van het binnenvlak der zinkhuid niet werd belet.

Duidelijk kon dit worden waargenomen, wanneer een schip, naar dit systeem gedubbeld, in het dok kwam.

Dan toch bleek dat zich tusschen de zinken en de houten huid een hoeveelheid melkwit vocht had opgehoopt, dat moeielijk te verwijderen viel, en zeker niet bijdroeg tot conservatie van de houten dubbeling.

En het is duidelijk, dat alle galvanische werking van het binnenvlak der zinkhuid geschiedt ten koste van die van het buitenvlak, en dus aangroeiing in de hand werkt. Na deze uitweiding terugkeerende tot de in behandeling

De Zee 1879.

zijnde proef, merken wij op, dat het niet de vraag moet zijn welke verf het best voldoet, nadat een schip een geruimen tijd „volkomen rustig” heeft gelegen.

Voor practische toepassing moet men vragen naar de verfsoort, die zich het beste houdt onder omstandigheden, zoo na mogelijk gelijk aan die, waaronder de verf in de werkelijkheid moet worden gebruikt.

Naar onze bescheiden meening moet de verklaring van het niet of weinig aangroeien van schepen, waarop smeersels aangebracht zijn geworden, veelal worden gezocht in het laagsgewijze afstroopen van het smeersel, tengevolge van den weerstand, dien het schip bij zijne voortbeweging door het water ondervindt.

Volgens den Heer Wierdsma worden de Oostzee-stoomers van de Kon. Nederl. stoomboot-maatschappij gesmeerd met Black Varnish en potlood, en vertoonen die bodems, wanneer ze circa 12 maanden in de vaart zijn geweest, nagenoeg geen sporen van aangroeiing.

Bij dusdanig schilderen werkt de black-varnish als dekverf van het ijzer tegen oxidatie, terwijl het potlood, dat in de nog niet opgedroogde bovenlaag van de black-varnish wordt gewreven, aangroeiing moet beletten.

Is deze onze veronderstelling juist, dan moet ook bij aanschouwing dier stoomers in het drooge dok blijken, dat de plekken, waar sporen van aangroeiing voorkomen, zich bevinden, waar het potlood het meest opgeruimd is.

We mogen evenwel niet onvermeld laten, dat stoomers, die de Oostzee bevaren, in zeer gunstige conditiën verkeeren wat betreft aangroeiing, en dat dus aan smeersels voor schepen in die vaart niet zulke hooge eischen behoeven gesteld te worden, als bijvoorbeeld voor stoomers, die de reeden van. Java bezoeken moeten.

Doch waar dan ook kunnen we ons voorstellen, dat een verfsoort bij varend schip goede resultaten oplevert, terwijl diezelfde verf bij stilliggend schip aangroeiing geeft en zelfs meer dan een andere verf, die in de vaart niet voldoet.

Maar afgescheiden zelfs van de boven medegedeelde bezwaren, komt ons de conclusie van de proef niet boven alle verdenking voor.

Wenscht men de in het onderhavige geval verschillende

« 이전계속 »