페이지 이미지
PDF
ePub

JK drogen.

verhaaltrossen, doch bovendien als laadreepen worden gebruikt.

Dit voorbeeld werd door tal van Engelsche en andere stoomvaartmaatschappijen gevolgd.

Deze verhaaltrossen hebben, behalve het voordeel van lichtheid, waardoor zij steeds veel handiger zijn in te halen, nog dit, dat zij in den winter, wanneer henneptouw stug of bevrozen is, hunne gewone lenigheid behouden. Zoodra het schip onder zeil is kunnen zij onmiddellijk worden weggestuwd, en men behoeft geen zorg te hebben voor verstikking ten gevolge van het niet behoorlijk drogen.

Het sleepen en schuren over zand of grint, langs bermen, kaaimuren en piers, deert staaltouw niet, terwijl de garens van henneptouw spoedig doorslijten en daardoor de eenheid der cordelen wordt verbroken.

De 7 à 8 duims hennepen verhaaltrossen, die men thans op onze koopvaardijzeilschepen gebruikt, verslijten wel is waar zelden, doch na acht of tien jaren zijn zij niet meer vertrouwd en door verstikking bijna krachteloos geworden.

Vervangt men zulk een tros door staaltouw van 3 duim b. V., dan heeft men iets, dat

I'. minder kost.
2o. sterker is.
30. slechts half zoo zwaar weegt.
4'. even buigzaam en bij koude veel buigzamer is.
5o. nimmer verrot, verstikt noch verroest.

Op Hollandsche haringschepen werd in 1878 voor het eerst staaltouw toegepast voor vischreepen.

Zooals bekend is, worden de vischreepen, die op deze vaartuigen eene gezamenlijke lengte van 1350 vadem of $ 2500 meter hebben, elken nacht, na van de netten ontdaan te zijn, in het reepruim opgeschoten, om daaruit den volgenden avond bij het schieten der netten weder te worden opgehaald.

Visschers zijn van nature gekant tegen het nieuwe, en indien ergens, dan wordt op hunne schepen het staaltouw in ieder opzicht tegenover henneptouw beproefd. .

Thans, na afloop van het haringsaizoen, spreken verscheidene schippers, die 200 à 300 vadem staaltouw als proef hebben gebruikt, den wensch uit, dat al hunne hennepreepen door stalen mochten worden vervangen.

Ook de bemanningen der sleepbooten op de rivier, die eens met stalen trossen gewerkt hebben, verkiezen dit artikel boven hennep.

De onderstelling is derhalve niet gewaagd, dat staaltouw, wanneer het eenmaal op onze koopvaardij-, zeil- en stoomschepen algemeen in gebruik wordt gesteld, spoedig burgerrecht zal verkrijgen en meer en meer zal worden toegepast.

JAN LELS.

Kinderdijk, Januari 1879.

Rule of the Road.

Art. 1. Ieder stoomschip onder zeil en niet onder stoom wordt beschouwd als zeilschip, en ieder stoomschip onder stoom, al of niet zeilvoerend, als stoomschip.

Onder zeil duidt aan, met zeilen bij. Het gebeurt echter zeer dikwijls, dat stoomschepen stoppen om nieuwe pakkings aan te brengen of iets anders te verrichten, en aangezien een stoomschip meestal met den kop in den wind opgaat, zet men dan geen zeilen bij.... In zulk een geval kan toch dat stoomschip wel niet beschouwd worden als onder zeil.... Art. 1 is dus niet juist uitgedrukt.

Is de bedoeling van dit art., dat ieder stoomschip niet onder stoom, zeilschip is, dan dient, om alle rechtsquaestiën te voorkomen, het woord onder zeil er uitgelaten te worden. Men leze dus: Teder stoomschip, niet onder stoom en niet ten anker, al of niet zeilvoerend, wordt beschouwd als zeilschip. Maar bij de tegenwoordige lange stoomschepen zal het echter noodig zijn, in dit art. I eene verandering te brengen, of wel bij te voegen:

dat stoomschepen die om eenige reden gestopt liggen en niet onder commando, zijn, d. w. z. niet naar het roer luisteren, 't zij ze niet of al eenig zeil voeren, door ieder zeil- en stoomschip gemeden moet worden.... dat zulk een gestopt liggend

stoomschip zulks kenbaar moet maken, en wel bij dag door het hijschen van 2 zwarte ballen (Corkfenders) onder elkander, op de hoogte van de fokkera, vóór de fokkemast (aan dezelfde lijn, waaraan bij nacht de toplantaren wordt geheschen) en bij 't naderen van andere schepen het attentie-sein geven met de stoomfluit (look-out); bij nacht een ankerlantaren vóór en een bollantaren aan den vlaggestok (deze bollantaren iets lager te plaatsen dan de ankerlantaren, ten bewijze dat beide lichten aan een en hetzelfde schip behooren) en bij het naderen van een schip het attentie-sein geven met de stoomfluit. Deze lichten geven dus te kennen aan een naderend schip, dat dit schip ten anker ligt (ankergrond of geen ankergrond) en dus gemeden moet worden. Alleen aan het geluid der stoomfluit zal het naderend zeil- of stoomschip beter bekend worden met de positie van dat schip, d. w. z. te weten komen dat het gestopt liggend schip niet onder commando is.

In de Noordzee is deze manoeuvre meermalen door mij met goed succès toegepast geworden.

Bericht uit de machine-kamer: Stoppen.

Dekorder: Zijdelichten innemen, ankerlantaren en bollantaren op, klaar bij de stoomfluit .... en ieder schip passeerde ons op den noodigen afstand.

Art. 3a. Aan den top van den fokkemast een helder wit licht enz. ... moet bijgevoegd worden : of vóór den fokkemast .... aangezien de meeste stoomschepen dit toplicht hebben aan het voorstenge of bramstag, geheel vrij van alle zeilen.

Bij aanvaring zou deze gebruikelijke plaatsing van het toplicht kunnen dienen als argument dat dit toplicht niet reglementair geplaatst was.

Art. 16. Elk schip, onder stoom, dat een ander schip nadert, moet, wanneer er kans van aanvaring bestaat, zijn vaart verminderen of zoo noodig stoppen en zijne werktuigen doen achteruitslaan.

Achteruitslaan met de machine is niet altijd raadzaam, vooral dan niet, als men zeker weet (linksche of rechtsche schroef) dat het schip den verkeerden weg zal rondgaan.

Verder dient er eene bepaling gemaakt te worden, dat stoomschepen, schepen sleepende, 't zij achter of op zijde, hun koers mogen behouden, en dat zeil- en stoomschepen moeten houden Out of the way.

Bij mistig weder verplichtend een wit licht aan den vlaggenstok te hebben.

Over het woord Stuurboord en Bakboord – te laten gelden als Stuurboord of Bakboord uithouden, en niet te beschouwen als Stuurboord of Bakboord de helmstok.

Dat bij het stoomen op rivieren, kanalen, of wel bij het op de reede komen, de kleine vaartuigen zullen moeten wijken, daar het voor lange stoomschepen zeer moeielijk, soms gevaarlijk is, zulks te doen.

Haarlem 29 December 1878.

J. F. GRAADT VAN ROGGEN.

Gemengde Mededeelingen.

Wij meenen dat het niet van aanbelang ontbloot is, om de aandacht van de lezers van dit tijdschrift te vestigen op de navolgende advertentie, voorkomende in de Staatscourant van 24 Januari 1879:

De Minister van Marine brengt ter kennis van belanghebbenden, dat de Kaarten en Beschrijvingen der Nederlandsche Zeegaten, uitgegeven op last van het Departement van Marine, sedert 1 Januari 1879 niet meer verkrijgbaar zijn gesteld bij de Directiën der Marine te Amsterdam, Willemsoord en Hellevoetsluis, het Koninklijk Meteorologisch Instituut te Utrecht en den Inspecteur van het Loodswezen enz. te Vlissingen, maar bij de firma Gebroeders van Cleef, Boekhandelaars te 's Gravenhage, Spui No. 28.

's HAGE, 23 januari 1879. Door dezen maatregel, waarbij de firma van Cleef als ge

neraal-agent voor de marinekaarten optreedt, wordt de verkrijging van marinekaarten voor particulieren meer gemakkelijk gemaakt, terwijl nu tevens de Afdeeling Hydrographie van. het Ministerie van Marine in staat is, toezicht te houden op den ter verkoop aanwezigen voorraad, waardoor de verkoop van verouderde exemplaren wordt voorkomen.

Binnenkort zullen ook de Nederlandsch Indische-Zeekaarten op dezelfde wijze verkrijgbaar worden gesteld, terwijl catalogussen van den aanwezigen voorraad het licht zullen zien.

In Engeland wordt reeds sedert tal van jaren op dezelfde wijze gehandeld ; aldaar is de firma Potter te Londen generaal-agent voor alle zeekaarten en zeevaartkundige beschrijvingen, welke door de Engelsche admiraliteit worden uitgegeven.

De Engelsche Marine. — Groot Brittannië heeft ten allen tijde de sterkte zijner zeemacht naar de tijdsomstandigheden weten te regelen.

Onder de regeering van Elisabeth in 1586 bestond de Engelsche marine uit slechts 27 schepen van oorlog, metende 7110 ton en bemand met 3600 man. Niettegenstaande deze kleine macht, bezochten mannen als Drake, Howard en anderen alle deelen der aarde en wisten, waar zij kwamen, ontzag voor de Engelsche vlag in te boezemen.

Toen ongeveer een eeuw later de bloedige zeeoorlogen tegen Nederland uitbraken, breidde de Britsche vloot zich uit en werden groote verbeteringen in den bouw en de bewapening der schepen aangebracht, terwijl het gehalte der zeelieden beter werd. Engeland had in de 17de eeuw, tegenover de vloten van de Ruyter en Tromp, een macht van 173 schepen, met 101.900 ton en 42.000 koppen.

Tegen het einde van de voorgaande eeuw — 1793 — was deze macht aangegroeid tot 498 schepen, metende 433.300 ton en bemand met 45.000 koppen. Toen de groote Napoleon alle vijandelijke legers overwon, en zijn rijk ten koste van half Europa uitbreidde, begreep Groot Brittannië dat het zijne onafhankelijkheid alleen kon handhaven door meester van de zee te blijven, en werd met alle mogelijke inspanning de vloot in zeven jaren tijds van 498 tot 767 schepen opgevoerd, met 668.790 ton en 135.000 koppen.

« 이전계속 »