페이지 이미지
PDF
ePub

De aanvaring van de „Voorwaarts."

Het vonnis van het Engelsch hooggerechtshof, Admiraliteitszaken, in deze zaak luidt aldus :

Westminster, Donderdag, 20 Febr. 1879. De Khedive voor den Right Hon. sir R. J. Phillemore D. C. L. en twee Trinity Masters. Vertaling van de stenographische aanteekeningen.

Vonnis: Sir R. J. Phillemore zegt: In dit geval had de aanvaring plaats omstreeks 7 u. 45 min. des namiddags van den 23sten Mei van verleden jaar, op de hoogte van Moeka Head, eiland Penang. De richting van den wind doet niets ter zake.

Er is een vordering met verdediging en een tegen-vordering.

De eisch voor schadevergoeding van het eene schip is gesteld op niet minder dan £ 100,000, die van het andere op £25,000.

De schepen, die in aanyaring kwamen, waren schroefstoomschepen, de Voorwaarts eischer en de Khedive gedaagde en tegen-eischer; beiden waren zeer groote schepen. De Voorwaarts was omstreeks 2800 gemeten tonnen met 400 paardenkrachten nominaal en 1600 effectief, lang 365 voet, breed 37 voet; de bemanning bestond uit 83 koppen, ze had 150 passagiers, de brievenmail en een volle lading, en was op reis van Batavia naar Amsterdam. De Khedive was 3741 gemeten tonnen; ik kan het aantal paardenkrachten niet aangeven, daar ik het niet in de getuigenissen vind. Het schip had een bemanning van 135 koppen, en was op reis van Point de Galle naar China via Penang, met een gemengde lading.

De koers van de Voorwaarts was W. 1/2 N. per kompas, het schip stoomde folla knoopen in het uur. De Khedive stoomde 1112 knoopen per uur en zijn koers was 0. 1/2 N.

Beide schepen voerden de bij de wet voorgeschreven en behoorlijk opgestelde seinlichten, die helder brandden. De nacht was schoon en onbewolkt, maar donker op het water; de toplichten der twee schepen waren van beide zijden zichtbaar, op een afstand geschat van 7 tot 9 Engelsche mijlen. De plaats der aanvaring, de snelheid der vaart van beide schepen, . het goed zichtbaar zijn der seinlichten — op al deze punten is men het eens in de voorloopige akten en uiteenzetting, en hierbij kan gevoegd worden, dat ieder schip eerst het licht van het andere van 1,2 tot i streek op zijn stuurboordsboeg zag.

Het blijkt uit hetgeen ik reeds gemeld heb, dat de gezamenlijke vaart der elkander naderende schepen ongeveer 23 knoopen was.

Onder deze omstandigheden was de aanvaring, veroorzaakt door een van beide of wel door beide schepen, niet te verontschuldigen en onverdedigbaar.

De voorstelling van de Voorwaarts is, dat hij eerst het toplicht van de Khedive bijna recht vooruit in zicht kreeg, van 1/2 tot i streek op zijn stuurboordsboeg — daarop zag men een blauw licht en daarna een rood licht. Daarop werd gebakboord en het witte en roode licht daardoor zoodanig op den bakboordsboeg gebracht, dat de schepen elkander aan bakboord veilig zouden gepasseerd hebben – rood licht op rood licht. De schepen zouden elkander aan bakboord gepasseerd hebben, had niet de Khedive, na nog een blauw licht gebrand te hebben, van koers veranderd en zijn groen licht getoond, waarop de Voorwaarts, ten einde de kracht der aanvaring te verminderen, het roer hard bakboord draaide en bevel gegeven werd om de machine te stoppen. Er was echter geen tijd om deze order uit te voeren, en de Khedive, vooruit stoomende zonder te stoppen, kwam in aanvaring met zijn voorsteven en stuurboordsboeg met den bakboordsboeg van de Voorwaarts, en beschadigde het schip in zulk een mate, dat het noodzakelijk werd het op strand te zetten om zinken te voorkomen.

De Voorwaarts wijt de aanvaring aan het verkeerde stuurboorden van de Khedive, het niet verminderen van zijn vaart en het niet stoppen volgens het 16de artikel van de „Regulations for preventing collisions at sea.”

De voorstelling van de Khedive is, dat hij het toplicht van de Voorwaarts, ongeveer 3/4, streek op zijn stuurboords

boeg zag; dat hij het licht hield voor dat van de ten anker liggende loodsboot, een weinig bakboordde, de Voorwarrts nog iets op zijn stuurboordsboeg houdende en achtereenvolgens twee blauwe lichten afstak als een signaal voor een loods; dat, geen antwoord op dat signaal krijgende, hij zijn ouden koers van 0.1/2 N. opnieuw volgde; dat spoedig daarop het roode en daarop het groene licht van de Voorwaarts gezien werden op zijn stuurboordsboeg – dat het roode bijna dadelijk verdween en het witte (toplicht) en groene licht in zicht bleven. Daarop stuurboordde de Khedire en bracht de Voorwaarts meer op zijn stuurboordsboeg en stutte vervolgens. De schepen waren toen zóó, dat zij elkander stuurboord op stuurboord, groen licht tot groen licht hadden moeten passeeren, en dit zoude gebeurd zijn, indien de Voorwaarts niet verkeerdelijk gebakboord had. De Khedive schrijft de aanvaring toe aan deze handelwijze van de Voorwaarts en ook aan zijne verbreking van art. 16.

De getuigenissen van weerszijden zijn, zooals gewoonlijk, zeer tegenstrijdig, en het heeft mij niet mogen gelukken om ze in overeenstemming te brengen, zooals ik soms kan doen in de vooronderstelling, dat beide partijen de waarheid wenschen te spreken.

De aanvaring vond, zooals vermeld is, plaats te ongeveer 7 u. 45 m. namiddag. De iste officier van de Voorwaarts, Rademaker, was op de bovenbrug tot 7 uur en verliet die toen, den kapt. en 2den officier achterlatende. De kapt. was op het dek te 7 1. 20 m. en zag een helder licht, verscheidene mijlen ver, en zeide tot den 2den officier: „Als het stoomschip in die richting blijft en een rood licht toont, zult gij moeten bakboorden.”

De 2de officier, Eversdijk, zegt, dat hij een rood licht gedurende vijf minuten op zijn stuurboordsboeg zag, op een afstand van 4 à 5 mijlen; dat hij een weinig liet bakboorden ; dat de 3de officier, Perk, hem afloste om hem in staat te stellen te gaan eten te 7 u. 30 m.; dat, toen hij de brug verliet, het roode licht drie mijlen ver was, en één blauw licht op de Khedive, ontstoken was; dat hij, na de aanvaring, op het dek terugkwam. De derde officier, Perk, verklaart, dat toen hij op de bovenbrug kwam en het bevel overnam, hij een blauw licht zag branden bijnà recht van voren ; terwijl het blauw licht brandde zag hij geen ander licht, maar toen het uitging, en het schijnt niet goed te zijn geweest en niet zijn vollen tijd te hebben gebrand, zag hij het witte en het roode licht. Het schijnt dat de tweede officier toen nog niet het dek had verlaten; nadat hij vertrokken was, zag de derde officier, die toen het bevel had overgenomen, het roode licht bijna recht vooruit; het roode licht veranderde in peiling en kwam op zijn bakboordsboeg; toen zag hij het tweede blauwe licht, en, nadat dit was uitgegaan, zag hij het groene licht op zijn bakboordsboeg. Wij zijn van meening, dat, toen hij het roode licht zag veranderen in een groen licht op zijn bakboordsboeg, hij had behooren te stoppen, en dit was ook klaarblijkelijk het gevoelen van den kapitein, die uit de kaartkamer kwam en op de brug sprong, uitroepende : „Hebt gij gestopt? Stop hem.”

Het komt ons voor, dat de Voorwaarts in tijds had moeten gestopt worden om de aanvaring te voorkomen; dat er geen voldoende uitkijk op de Voorwaarts was en dat, hetzij de kapitein al of niet verkeerd deed door van de brug te gaan voordat de stoomboot, die hij zag, gepasseerd was, het gedrag van den tweeden officier, die daarna het bevel voerde en die een stoomboot zag aankomen in tegenovergestelde richting, doch zijn bevel overgaf aan den derden officier om te gaan eten, terwijl hij pas een manoeuvre had gecommandeerd, zeer berispelijk was.

Het moet opgemerkt worden dat Vervoort, de uitkijk op het voorschip, in dit hof heeft gezworen, dat hij noch de zijlichten, noch de ontstoken blauwe lichten van de Khedive gezien heeft.

Over het geheel zijn wij van gevoelen, dat de Voerwaarts te blameeren is wegens onvoldoenden uitkijk, en omdat hij zijn spoed niet heeft verminderd, na de verandering van rood tot groen.

Ik heb het niet noodig geacht de getuigenissen, te Penang en in dit hof gegeven, in dit oordeel met elkander te vergelijk en, maar ik heb er toch ten volle op gelet. Zij hebben de strekking om de verklaringen van de Khedive te ondersteunen.

Wat de Khedive betreft, 200 achten wij het onnoodig, om te onderzoeken of de verklaringen van zijn getuigen ten aanzien van den onderlingen stand der waargenomen lichten, bepaaldelijk van het groene licht van de Voorwaarts, al dan niet juist zijn, want het artikel 16 van de wet op het voorkomen van aanvaringen slaat evenzeer op de Khedive als op de Voorwaarts en de Khedive behoorde in deze omstandigheden te hebben gestopt en teruggeslagen, of ten minste zijn vaart te hebben verminderd op een afstand en binnen een tijd waardoor de aanvaring vermeden werd. Het is duidelijk dat het beginsel en de bedoeling van die bepaling is, om de noodzakelijkheid aan te toonen onmiddellijk den spoed van het vaartuig te verminderen, wanneer het ander in zulk een nabijheid is, dat eene aanvaring waarschijnlijk is.

Ik verklaar daarom beide vaartuigen berispelijk (both to blame).

(Handelsblad.)

Onze Loodsen.

In een schrijven opgenomen in Hansa no. 26 (d.d. 22 Dec. 1878) beklaagde de Heer L. Arenhold uit Hannover zich over de onbekwaamheid van den Terschellinger zeeloods A. de Breet, bij het binnenbrengen van zijn jacht Teifun in den avond van 14 October 1878. – Hansa no. 5 (dd. 2 Maart jl.) bevat thans een antwoord op die klacht van den Heer P. B. Logger, Inspecteur van het loodswezen te Terschelling. De Redactie van „Hansa” heeft dat schrijven ter inzage gezonden aan den Heer Arenhold, wiens wederwoord mede in dat zelfde nummer is opgenomen. Hoewel de Hr. A. zegt dat hij de bespreking dier zaak sluit, achten wij het wenschelijk daarop nog eens terug te komen.

Wij stellen ons in de quaestie zelve geen partij. De Heer A. houdt zijn klacht, ook na het lezen van den brief van den Inspecteur, volkomen vol. Dat die klacht geheel uit de lucht

De Zee 1879.

12

« 이전계속 »