페이지 이미지
PDF
ePub
[merged small][merged small][merged small][merged small][ocr errors][ocr errors][ocr errors][subsumed][subsumed][ocr errors]

over de maand Maart 1879. RANGSCHIKKING | Uitgegaan. Binnengekomen. Totaal.

VOLGENS Aan- M3. Aan- M3. Aan- M3.

tal

tal.

[ocr errors]
[ocr errors]

How can

de soort van schepen. Driemastschepen en Barken.

22 43.463 10 17.335 32 60.798 Brikken.

3 1.991. 5 2.799 it) 8 4.790 Schoonerbrikken en Schooners.

6.895 10 4.957 | 25 11.852 Kleinere vaartuigen. | 9 2.029 1 286 $)10 2.315 Stoomschepen.

76.646 59 74.649' 119 151.295 Totaal. . . 109 131.024 85 100.026 194 231.050

de natie. Nederlandsche. 42 39.803 | 28 26.009 | 701 65.812 Engelsche.

44 63.201 38 53.678|| 82 116.879 Noordsche.

89 .0277 4.647 15 13.674 Zweedsche.

2.429 Ι 1.414 2 3.843 Noordduitsche.

6.932 16.794 Russische.

3.850, 1.850 5.700 Fransche.

271

271 Grieksche.

1.421

1.421 Italiaansche.

2.508 Amerikaansche. 1 1.510

1.296

2.806 Spaansche. 1.342

1.342 Totaal. . . 109 131.024 85 100.026 194 231.050 den diepgang. Van o tot 30 d. M. 24 10.819 9 4.523|| 33 15.342 » 31 „ 40 , 5864.192 36 30.904 94 95.096 » 41 50 121 37.954 24 27.075 || 451 65.029 , 51, 60

4 11.669 1 15 34.341 | 19| 46.010 61 d. M. en hooger.

2 6.390 I 3.183 3 9.573 Totaal. . . 109 131.024 85 100.026 194 231.050 De hoogste waterstand was 83 d. M. , laagste » » 54 » „ grootste diepgang 1 65

, kleinste » t) Waaronder i marinevaartuig binnengekomen. $) Waaronder i inspectievaartuig uitgegaan.

2.508

[ocr errors]

Arbitrale uitspraak in zake „lenspompen, afwijking van koers en oorzaak van stranding” van het galjootschip Z., kapt. W.

(Historisch.)

Arbiters: Mr. de S., notaris; W., scheepsreeder, en H., expert. M., boekhouder en reeder, eischer tegen de „Onderlinge

Verzekerings-Maatschappij E.”, verweerder.

De beoordeeling der zeewaardigheid van een zeeschip uit de bewoordingen „pompten lens en dichtschip”, in een scheepsjournaal vermeld, blijft steeds in hare opvatting, hetzij in beperkten of ruimen zin, een belangrijk vraagstuk voor onze jurisprudentie. – Groote belangen zijn daarbij tusschen reeders en assuradeurs betrokken; zij zijn te gewichtig om daarover te beslissen, zonder technische kennis, wetenschap en ervaring op zeemansgebied te raadplegen.

Onbillijk schijnt het, wanneer een reeder de gevolgen van onkunde of zorgeloosheid van den schipper moet dragen, en meer nog, als de reeder niet tot de directie der reederij behoort en met het gehalte van zijn schip of schipper niet ten volle bekend is. Maar, men zal ook vragen: is het recht of billijk, wanneer domheid, onkunde of zorgeloosheid, om hier geen erger qualificatie te bezigen, een schip buiten het vaarwater doen stranden en daarvoor den assuradeur aansprakelijk te stellen?

Ziedaar een paar vragen, die zich, bijna dagelijks, bij de vele quaestiën over schade door zeeëvenementen aanbieden. — Alles wat het gezichtspunt en het oordeel, in dergelijke zaken, De Zee 1879.

: 13

kan ophelderen, heeft eenige waarde, en zoo moge dan ook deze bijdrage misschien de welwillende beoordeeling en belangstelling der lezers ontvangen.

Door den eischer M. was verzekerd, in bovengemelde verzekerings-maatschappij, het galjootschip Z., kapitein W., tegen alle gevaren, zijn aandeel in gemeld schip à f 2000.—, van af 1 Januari 18— tot aan het einde van dat jaar.

Dit schip verliet Riga in de maand October van bedoeld jaar met bestemming naar Oporto, deed de reede van Elseneur aan en strandde op den 6 (?) November daaraanvolgende op de bank Bragen onder de kust van Jutland in het Schagerak, alwaar het schipbreuk leed.

Het gaf aanleiding tot de volgende procedure tusschen de partijen.

De Eischer (Advocaat Mr. v. d. T., memorie van eisch)

beweert te hebben geleverd: 1o. De polis van verzekering van het galjootschip Z. tegen alle gevaren, vrij van molest, voor f 2000.—.

20. De scheepsverklaring, door de equipage beëedigd, volgens welke hij verklaart, dat gemeld schip op den 6 November 18– op reis van Riga naar Oporto in de nabijheid der Jutsche kust aan den grond heeft gestooten en door het herhaaldelijk stooten, in weerwil van alle pogingen tot behoud, zeer lek werd, en nadat de mast en bramsteng met de raas door het stooten waren gebroken en overboord geraakt, het schip op den 7 November daaraanvolgende vol water was, zoodat de kapitein en het scheepsvolk, tot behoud van hun leven, genoodzaakt waren het schip te verlaten en dit totaal verloren is gegaan, ten bewijze waarvan mede eene verklaring van den Vice-Consul te Thisted wordt overgelegd.

Op grond van de feiten, de polis en statuten van de „Onderlinge Verzekerings-Maatschappij E.", verzoekt de eischer, dat de Arbiters den verweerder veroordeelen:

1°. tot betaling van gemelde f 2000.— onder korting van verzekeringspremie en nápremie over Ao. 18— én van het geborgene van het casco, overeenkomstig de bepalingen der statuten;

2o. van de legale intresten van gemelde som van af het · sluiten der acte van compromis;

3o. van de kosten dezer procedure.

De Verweerder (memorie van antwoord) erkent: 1o. bovengemelde inschrijving in bedoelde verzekering in de „Onderlinge Verzekerings-Maatschappij E.”;

2°. dat gemeld schip in de maand November 18— is gestrand en verloren gegaan, waarvan de scheepsverklaring is overgelegd;

maakt bezwaren: op de bedoelde scheepsverklaring de f 2000.— uit te betalen, omdat daarin niet voldoende de omstandigheden worden vermeld, waarom men het schip aan den grond heeft gezeild;

verzoekt op grond daarvan: dat hem het scheepsjournaal van gemeld schip worde overgelegd, om daaruit de omstandigheden van het verloren gaan van het schip te kunnen zien.

Op grond der feiten uit de scheepsverklaring en het niet overleggen van het scheepsjournaal, verzoekt de verweerder dat het den Arbiters moge behagen:

1°. dat de verzekeringsmaatschappij voornoemd van de ingeschreven somma van tweeduizend Gulden, op gemeld schip ingeschreven, worde ontlast;

2o. den eischer te veroordeelen in de kosten dezer procedure.

De Eischer (Advocaat Mr. v. d. T. - memorie van repliek)

constateerende: 1o. de erkenning der verzekering door meergemelde maatschappij;

2o. de overlegging der scheepsverklaring;

39. én dat niet betwist wordt, dat de eischer in gemeld schip reeder was voor de aandeelen ;

releveerende: de bewoordingen der scheepsverklaring aangaande het sinister;

wijst er op: dat er geene branding door het scheepsvolk was gezien, zoodat het meende in vaarbaar water te zijn, terwijl het bleek dat dit niet het geval was. — Er was eene onder water lig

« 이전계속 »