페이지 이미지
PDF
ePub

Stelden wij ons daartoe reeds in verbinding met verschillende personen, wier medewerking wij zéér waardeeren, onze kolommen staan bovendien open voor elke mededeeling, elke beschouwing op bovengenoemd, véél omvattend gebied.

Dat wij bij deze onderneming den steun behoeven van velen is natuurlijk, en dat ook hier in hooge mate het spreekwoord geldt: „alle begin is inocielijk”, spreekt wel van zelf. Mogen daarom velen, die belangstellen in het tot stand komen van ons Tijdschrift, daarvan, liefst zoo spoedig mogelijk, doen blijken.

REDACTIE EN UITGEVER

Marine en Koopvaardij.

Hij, die gelegenheid heeft gevonden de twee hoofddeelen waarin onze Zeevaart zich laat splitsen — „Marine” en „Koopvaardij” – van nabij te leeren kennen en wien het daarbij gegeven is geweest beider personeel in hun doen en laten, in hunne denkwijzen, opvattingen en handelingen eenigszins aandachtig na te gaan, zal ongetwijfeld getroffen zijn geworden door de onbekendheid welke bij beiden ten opzichte van elkaar bestaat.

Is het inderdaad geene bepaalde zeldzaamheid een Nederlandsch Zeeofficier aan te treffen, die nog nimmer een Koopvaardijschip, althans eenigszins verder dan de kerk of kajuit, bezocht, het aantal onzer Gezagvoerders en Stuurlieden der Koopvaardij, die een Nederlandschen Oorlogsbodem nooit anders zagen dan van de buitenzijde, is ongetwijfeld nog véél grooter.

Laat de kennis van elkanders materieel veel te wenschen over, met de bekendheid van elkanders personeel, van toestanden aan boord, in het algemeen van elkanders huishouding en werkzaamheden is het zoo mogelijk nog treuriger gesteld, en 't vraagstuk: wie zich méér „te huis” gevoelen zou, een Nederlandsch Zeeofficier op een Koopvaardijschip, dan wel een Nederlandsch Koopvaardij-Stuurman op een Oorlogsvaartuig, — zou inderdaad eene prijsvraag waard wezen!

Een en ander valt nog sterker in het oog, wanneer we onze blikken wenden naar het buitenland, en wel meer speciaal naar onze Engelsche en Fransche naburen. De Engelsche Zeeofficier moge op het punt van algemeene ontwikkeling bij den Nederlandschen ten achter staan, wat aangaat zijn bekendheid met Koopvaardijzaken, en zijn daaruit voortvloeienden practischen zin, is hij – wij spreken hier steeds in het algemeen – zijn meester.

En wat omgekeerd de bekendheid betreft met het oorlogsmaterieel, wij meenen waarlijk niet te overdrijven, indien wij beweren dat de eerste de beste Engelschman, die men mocht aanklampen, omtrent zijn „Iron-clads” en omtrent ,the Fleet" in het algemeen, méér zaakkennis zou doen blijken dan het overgroot deel onzer Koopvaardij-mannen bezit aangaande onze weermiddelen ter zee.

Met Frankrijk wordt eene vergelijking voor ons nog ongunstiger. Door de „Inscription Maritime” welke dáár van kracht is, en waardoor elk Fransch zeeman verplicht is, gedurende eenigen tijd op 's Lands-vloot te dienen, is de bekendheid met het Oorlogsmaterieel ter zee, zoowel als met de gansche inrichting der Marine, onder de Koopvaardijlieden aanmerkelijk grooter, en bestaat er bovendien een verband tusschen beide, dat overal elders te vergeefs wordt gezocht.

De vraag zou evenwel kunnen worden gesteld of die meerdere bekendheid werkelijk eenig nut heeft. — Wij meenen deze in volle overtuiging te mogen beantwoorden, met een ernstig „ja”. — Enkelen niet te na gesproken, mag met vrijmoedigheid worden gezegd, dat wat betreft algemeene ontwikkeling, zoowel als wat aangaat beschaafdheid in vormen, de Marine-Officier staat boven dien der Koopvaardij. Is dit verschil ongetwijfeld ten deele een gevolg van den meer ruwen werkkring van dezen laatste, van zijn méér onmiddellijk in aanraking komen met personen, die, als veel lager op de maatschappelijke ladder staande, kunnen worden gerekend, — het valt niet te loochenen, dat het ook voor een ander deel een gevolg is van het feit, dat de positie van Koopvaardij Officier in ons zeevarend Nederland in discrediet is geraakt. Wáár zijn de tijden gebleven, dat een jongeling van goeden huize, met goedkeuring zijner ouders, de vaart ter Koopvaardij koos, als middel van bestaan? De achteruitgang van onzen handel, en daardoor gedrukte toestand onzer scheepvaart, draagt daarvan zeker ten deele de schuld; maar toch, als men

nagaat hoevele knapen, uit wat men den „beschaafden stand" pleegt te noemen, hun toevlucht zoeken tot betrekkingen, die hun waarlijk géén ruimer toekomst waarborgen, dan mag men zich inderdaad toch verbazen, dat deze carrière welke bovendien altoos nog het aantrekkelijke van het „zeevaren” in haar voordeel heeft — niet méér wordt gezocht. Of hier de afstand tusschen Marine en Koopvaardij voor een groot deel gevolg, dan ook wellicht eenigszins oorzaak is geworden, doet voor het oogenblik weinig ter zake, — het feit bestaat, en wij dragen de vaste overtuiging, dat elke stap van toenadering tusschen beiden zal medewerken om in de Handelsvaart elementen terug te voeren, welke daarin thans meer en meer te vergeefs worden gezocht.

Men versta ons wèl: Niets ligt minder in onze bedoeling, dan de zongenaamde „stand” of „afkomst” in de maatschappij te stellen boven „bekwaamheid” of „persoonlijke verdienste”; maar zoolang het eene waarheid blijft, dat van den jongeling uit de beschaafde klasse met grond eene méér algemeenie ontwikkeling en daarbij beschaafder vormen kunnen worden verwacht, — zoolang blijven wij het voor de Koopvaardij betreuren, dat die klasse zich minder dan vroeger in haar personeel vertegenwoordigd ziet.

Van den anderen kant zien wij in meerder verband met de Koopvaardij, voor de Marine véél goeds. Den Koopvaardijman beter leerende kennen in de onbetwistbare hardheid van diens leven, in zijn energiek werken met beperkte en vaak gebrekkige middelen, zal de Zeeofficier hem méér leeren waardeeren, met meer gemak heênstappen over den misschien eenigszins ruweren vorm, maar daarom dikwijls niet minder degelijken aard van diens omgang. En het eind zal wezen dat beiden er wèl bij varen.

Eindelijk zien wij in meerder verband tusschen de Oorlogsen Handelsvloot een krachtig middel tot versterking onzer weermiddelen ter zee. Het zou eene dwaasheid wezen daarvan te verwachten, dat de Koopvaardij-stuurman al aanstonds eene plaats als Officier aan boord van een Oorlogsbodem zou kunnen innemen. Dáártoe zou ongetwijfeld eene instelling noodig zijn zooals in Frankrijk bestaat, en zelfs dáárbij kan zoodanig optreden hoogstens worden beschouwd als dat van het kader,

0

tegenwoordig uit de militie gevormd. Maar wèl kan meerdere
kennis van ons Oorlogsmaterieel, van de inrichting der Marine
in het algemeen, den Koopvaardijman meer geschikt maken,
om in tijd van nood het personeel onzer Oorlogsvloot kracht-
dadig te versterken, dezen velerlei werkzaamheden uit handen
te nemen, en daardoor het Vaderland tal van belangrijke
diensten te bewijzen, waarvan — bij het eenzelvig standpunt,
dat Marine en Koopvaardij tegenover elkander innemen, —
thans géén sprake wezen kan.
· Moge ook de uitgave van dit tijdschrift door den tijd een
krachtig middel worden, om dit belangrijk doel te helpen
bevorderen.

Het zeevaartkundig onderwijs in Nederland.

Wie zal het kunnen ontkennen dat er in Nederland veel, zeer veel aan onderwijs wordt ten koste gelegd ?

En is het geen verblijdend teeken dat wij onze organisatie in zake het Onderwijs op de Wereldtentoonstelling van 1878 kunnen nederleggen, zonder bevreesd te zijn voor het oordeel van zoovele deskundigen daar vergaderd ?

Daarom nog te éér acht ik het plicht te wijzen op die bladzijde, waar de geschiedenis staat geschreven van ons Zeevaartkundig Onderwijs, want het oordeel van den vreemdeling dáárover zal en kan niet anders zijn dan eene veroordeeling.

Hoe! zal deze zeggen, wordt in dat land, dat zijn bestaan, zijne grootheid te danken heeft aan de Scheepvaart, dat met zijne handelsvloot valt of staat, wordt in dat land niets gedaan voor Zeevaartkundig Onderwijs? En het antwoord hierop is: „neen."

En de redenen waarom ?.

« 이전계속 »